home  
 
 

biografie

 
  gedichten
 
  interview
 
  publicaties
 
  essay
 
  toneel
 
  verhalen
 
  contact
 



 

Walter Palm, een schrijver uit Curaçao

nederlands

papiaments engels


INTERVIEW VAN HANS VADERS MET WALTER PALM, GEPUBLICEERD IN “ÑAPA/AMIGOE” VAN 7 AUGUSTUS 2010.

'Over de einder bivakkeert de dood’

De sierlijke lier van Walter Palm

Het licht zengt die julimiddag op het met harde zwarte klinkers geplaveide pleintje in Kura Hulanda. Of eigenlijk, het is niet zo zeer dit ongemeen felle licht dat blakert op de robuuste keien en tegen de gele en blauwe muren, maar de onbarmhartige zonnekoning die dichter Walter Palm ertoe dwingt enige beschutting onder een parasol te zoeken. Geen medelijden, het is immers zijn favoriete zon die hij in gedachten weer mee terugneemt naar Europa, naar Den Haag, waar hij sinds jaar en dag woont en werkt. En natuurlijk, in zijn bagage zit onvermijdelijk ook de reislustige Thalassa de in dit licht schitterende zee van de Cariben, krullend, sierlijk, vol erbarmen, lethargisch maar ook meedogenloos en dodelijk in haar innige omhelzing.

De 59-jarige Walter Palm, senior beleidsadviseur - ‘ik concipieer beleidsnota’s over het integratiebeleid’ – werkzaam voor de programmaminister voor Wonen, Wijkenen Integratie in Den Haag en recent in juni benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, nazaat van vele bekende Curaçaose componisten en spraakmakende musici waaronder zijn grootvader Jacobo Palm, bood kortgeleden een cd - ‘ik hecht erg veel aan die cd’ -met daarop een keuze van zijn gedichten aan de Gouverneur van de Antillen Frits Goedgedrag aan.

De dichter nipt bedachtzaam aan zijn glas ijswater. “Ik schrijf gedichten maar doe dat uiteraard niet in opdracht. Het heeft niets met mijn dagelijkse werk te maken.
Je zou kunnen zeggen, met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker. Het zijn bepaalde episodes, creatieve periodes, een bijzondere creatieve ‘boost’ soms zoals ik nu heb doorgemaakt in dit eerste decennium van de 21e eeuw. Ik val in een diepe slaap en krijg beelden. Die beelden rijgen zich in mijn dromen aaneen tot woorden. De volgende morgen, en dat is mijn discipline, schrijf ik dat gedicht op. Dat is mijn training. ‘s Nachts schrijf ik dat niet op, daar ben ik veel te lui voor. In de loop van de dag schrijf ik verder nooit, dan zit ik achter een bureau waar een strikte rationaliteit heerst.”

Palm, die op 27-jarige leeftijd debuteerde met de Engelstalige poëziebundel ‘Winds of words’ - in mei 1978 aangeboden aan toenmalig gezaghebber Ornelio Martina en gedeputeerde van Cultuur Frank Rozendal - meent dat er toch wel een hemelsbreed verschil bestaat tussen het schrijven van proza en poëzie. “In een gedicht zijn voor mij twee dingen van wezenlijk belang. Ten eerste is daar de woordkracht, die zeggingskracht van de taal die als het ware in specifieke beelden wordt samengebald en ten tweede is er de muziek. Mijn ambitie is altijd al geweest het artistieke domein van de familie Palm, exclusief gedomineerd door muziek, uit te breiden met literatuur”, aldus de dichter die zelf overigens geen enkel instrument bespeelt. “Anders gezegd, ik wilde aantonen dat een Palm behalve componeren ook gedichten kan schrijven, literatuur kan bedrijven.” En dit geschiedde aldus, met een soort van speelsheid waarmee Pieter Cornelisz Hooft ook goede sier had kunnen maken.

“Daarnaast”, zegt Palm, die in het verleden afstudeerde in de zuivere wiskunde met als afstudeerrichting de Relativiteitstheorie van Albert Einstein, “bestaat er voor mij een duidelijk verband tussen wiskunde en muziek. Zo zitten bijvoorbeeld de fuga’s van Bach heel mathematisch in elkaar. En het was mijn grootvader Jacobo Palm die me hierop attendeerde, ‘Walter, in elk gedicht van jou zit een melodie, een sierlijke lier’. Dat vond ik toch wel bijzonder.”

Zowel de woeste golven van de Noordkant als het zoete neuriën van branding aan de Zuidkust, hoor ik in jouw muziek.

Walter Palm vestigde zich in 1980 definitief in Nederland. “Maar ik ben echter steeds terug aan het bouwen. Wat mij aan Den Haag fascineert is de band met Curaçao. Zo is een van de voornaamste toeristische attracties in de stad Madurodam, het was ook de Zwarte Madonna van architect Carel Weeber, het zijn de verse mango’s op de Haagse markt. Ik moet die achtergrond dan wel aan mijn collega’s uitleggen, want die kennen deze niet. In mijn nieuwe bundel ‘Sierlijke golven krullen van plezier’ gaat het eerste katern over ‘Curaçao’, het tweede deel vormt de brug ‘Curaçao in het hart van Den Haag’ en het derde deel is ‘De kus van de zwarte vlinder’. Maar waarom ik daar blijf hangen? Mijn kinderen wonen nu eenmaal in Nederland. Dat soort simpele zaken, maar je blijft natuurlijk altijd verbonden met Curaçao. Maar om hier weer te wonen, te leven, dat moet de tijd uitwijzen. Ik heb in deze wereld geleerd om geen voorspellingen te doen die in de nevel van de toekomst liggen.”

Volgens de Sint-Maartense dichter Lasana Sekou zijn er grofweg gezegd drie criteria die mondiaal voor de mens in zijn levensstrijd belangrijk zijn: liefde, werk en vrijheid. Al het overige dat het mensenschip op de lange reis met zich meevoert is overtollige ballast. “Ik mis één woord, de dood. Als je dood bent, ben je eindelijk bevrijd van die molensteen die je lichaam heet. In mijn leven vind ik de dood heel erg belangrijk. En daarom lach ik zo vaak in het besef dat er een dood is. De dood relativeert alles. Zelfs de Relativiteitstheorie van Albert Einstein valt daarbij in het niet.”

Bevrijd van mijn lichaam
van deze loden molensteen
waar het bestaan om draait.

Eindelijk verlost van deze vernietigende
stampede van stampende, woeste, wilde dieren
die zich mensen noemen.

En die zee, die magistrale zee van Curaçao? Waterman Palm: “Ik ben opgegroeid op dit eiland in de Van Leeuwenhoekstraat met uitzicht op die eindeloze zee.
Dag in dag uit was ik altijd bezig met de zee die zich in alle volle glorie aan de periferie van de straat manifesteerde. Twee kroonjuwelen van Curaçao: dat zijn de zee en de zon die mij inspireren. De zee kan eeuwenlang niets doen en de volgende dag, je zal dit kunnen beamen, diezelfde zee vernietigt in een paar uur tijd vrijwel alles. De zee is meedogenloos, die moet je nooit onderschatten. En onze Curaçaose vissers die niet eens kunnen zwemmen. Dan vis je toch met ware doods-verachting. Ronduit fascinerend.”

Toen ik geboren werd
krulden de golven van plezier.

Als ik sterf,
krommen de golven van verdriet.

“Aan de horizon bivakkeert de dood. Je verdwijnt als een sierlijk opgetuigd schip over die verre horizon. Op Curaçao verdwijn je over die lokkende horizon, niemand kan je meer zien, maar je bent er nog wel. De dood blijft op dit tropische eiland, in tegenstelling tot in Nederland, altijd nabij, altijd aanwezig, je leeft er elke dag weer mee.”

In de armen van de baai
zwemmen wij, zij aan zij,
richting horizon.

Wolken drijven voorbij
en de zon telkens achter de wolken
knipoogt naar ons.

De koele passaat
voelt aan als zijde
als een lijkwade.

Bomen zwaaien ons uit,
als we uit de armen van de baai
zwemmen richting horizon,

versmelten met het einde.
Jij en ik, zij aan zij,
mijn metgezel de dood, en ik.

“Die tropen dragen tevens een zekere mate van vergankelijkheid in zich, van verrotting, zoals de aangetaste tand het gebit van de oude van dagen niet wenst te verlaten. Het is die voortdurende strijd tegen de hitte, tegen de aftakeling. Die zon toont zich ook zonder mededogen, de hitte schreeuwt alarm van de rode pannendaken. Dus het verval, die tropenjaren zijn er voor de mens wel degelijk. Je werd in het verleden ook niet zo oud op het eiland, want je moest altijd al kampen met de zon, je gezondheid in de gaten houden, je droogt snel uit. De dood fascineert me tevens omdat ik ouderloos door het leven trek. Ik kan hun stemmen niet meer horen. Ik ben de volgende in een lange rij, niemand kan me dat afnemen, het is wellicht wel een voorrecht. En na mijn heengaan blijf ik er nog altijd in mijn werk, dat is dan je nalatenschap.”

Vroeger was
de kern van het bestaan
één zes-letterig woord:
Liefde.

Maar nu is
Liefde vergrijsd
Tot één vier-letterig woord:
Dood.

En binnenkort
is ook dit woord
verschrompeld tot
een drie-letterig woord:
God.

Een Waterman wordt in de astrologie omschreven als een rebel die een vrij jachtgebied nodig heeft. Palm: “Een rebel ben ik zeker, ook al omdat het van mij als kleinzoon van Jacobo Palm werd verwacht dat ik ook musicus zou worden. Ik werd echter geen musicus, geen componist, we hebben al genoeg componisten, nee ik werd schrijver. En natuurlijk, je hoort in ieder gedicht een melodie, de appel valt niet ver van de boom, maar op dit terrein ben ik natuurlijk zeker een rebel. Nog wat, die cd van mij komt dus niet in de handel, het gaat niet om enig commercieel winstbejag. Het enige wat ik met ‘Mensing Caminada’ heb afgesproken is dat, voor zover de voorraad strekt, iedereen die mijn laatste bundel koopt de cd er gratis bij krijgt.”

De Nederlandse dichter Bertus Aafjes wist eens te melden dat ‘dichters een zekere mate van waarheid liegen’, maar is dat eigenlijk wel zo. Walter Palm wist zich het zweet van zijn favoriete zon van het voorhoofd. “Een dichter kijkt op een andere manier naar de werkelijkheid. Maar het liegen van de waarheid, dan komen we op filosofische grond, en die waarheid, ik kan er niet zo veel mee, met zo’n uitspraak.”

“Op Curaçao tellen en telden we een aantal uitstekende schrijvers, maar die komen vrijwel niet aan de bak in Nederland, althans er wordt overzee maar weinig aandachtaan hen besteed. Het circuit waarin je verkeert is hier ongetwijfeld debet aan. Elke wereld, elke kunstenaarswereld is nu een gesloten blok. Met de literatuur in Nederland gaat het mijns inziens overigens bergafwaarts. In de kranten zijn de literaire pagina’s aan een recessie onderhevig, literatuur is niet meer zoals het is geweest. Maar nogmaals, er is geen wereld zo gesloten als de literaire wereld. Het is het ons kent ons-principe. En bovenal, de Caribische werkelijkheid is natuurlijk van een ander kaliber dan de Hollandse werkelijkheid. Wij hebben nu eenmaal veel meer gemeen met Gabriel García Márquez - met de vervreemding - en minder met die nieuw ‘ontdekte’ Oost-Europese schrijvers die tegenwoordig de recensiepagina’s vullen. Het is jammer dat wij niet in het Spaans schrijven want ik denk dat we meer gemeen hebben met de Spaanstalige dan met de Nederlandstalige literatuur.”

“Wat natuurlijk heel interessant is, die stellingname dat onze eilandelijke literatuur - tot op dit moment – ten onrechte nooit een echte hoogvlieger in Nederland is geweest, behalve met sommige uitschieters zoals met een aantal werken van Cola Debrot, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion. Wij kennen en kenden veel orale literatuur, de orale traditie vegeteerde in ieder geval in het verleden rijkelijk op de eilanden. In Nederland was het altijd de Bijbel, het geschreven woord. Wij zijn dus eigenlijk allemaal praters terwijl de Europese Nederlander het geschreven woord, die zwarte letters wil zien, het liefst met een aantal duidende voetnoten. Die sierlijke lier die ons zo kenmerkt zit hier duidelijk niet bij.”

Palm eindigt: “En dat culturele verschil, ik heb ‘s morgens op mijn lessenaar eind jaren zeventig toen ik als leraar wiskunde verbonden was aan het Peter Stuyvesant College, een met naalden doorstoken popje gevonden. Nou, als iets niet des Nederlands is, dan is dat dit wel. Voodoo, fantastisch. Maar natuurlijk, het is typisch Zuid-Amerikaans. Je leest in de literatuur over vege sombere voortekens, over het magische ei van Papa Doc, die op Haïti alle zwarte honden liet uitroeien omdat hij dacht daarmee zijn tegenstanders in hun geheime gedaante te kunnen elimineren.”
“Zoiets moet je de facto kunnen aanvaarden en op zijn waarde inschatten en om hiervoor begrip te kweken denk ik dat de culturele werelden tussen de Cariben en Europa in dit kader te ver uiteen lopen. Daarom verkoopt de ‘brand’ Curaçaose literatuur in Nederland ook maar matig. Als je die meedogenloze zon en die lethargische blauwe zee, met haar soms venijnig krullende witte kopjes en alle emoties die zich in beide tropische fenomenen samenballen nooit aan den lijve hebt ondervonden, dan kan je je daar ook nooit enige voorstelling van maken, dat begrijp ik wel.”


◄begin