home  
     
 

biografie

 
  gedichten
 
  interview
 
  publicaties
 
  essay
 
  toneel
 
  verhalen
 
  contact
 


 

Walter Palm, een schrijver uit Curaçao

nederlands

papiaments engels


DE BLAUWE ENGEL


Het was in een hotel. Een hotel met een majestueuze, bijna pompeuze naam: “Hotel Majestic”. In de ruime kamer van het chique hotel stond naast het royale bed in dwingende volgorde opgesteld een uitgebreid zitje en een levensgrote tv met een beeldbuis van hier tot Tokio. De hotelkamer werd echter gedomineerd door een raam dat hem ongegeneerd liet genieten van een fascinerend panorama: het besneeuwde landschap van luguber Transsylvanië in de schuchtere ochtendzon.

Het was de streek van Dracula. De geur van knoflook en vers bloed hing volgens hem in de lucht, of speelde zijn fantasie hem net als gisterenavond weer  parten? Ver na middernacht was hij toen wakker geworden van een geluid waarvan hij dacht dat het het meeste weg had van doodgravers die bezig waren om een clandestien graf te delven voor onschuldige slachtoffers van duistere, nachtelijke praktijken.  Het was een schurend, akelig geluid. Pas toen hij de moed verzameld had om uit zijn bed te stappen en uit het raam naar buiten te kijken, had hij ontdekt dat het reuze meeviel. Het waren sneeuwruimers die bezig waren om de bevroren sneeuw van de binnenplaats te schrapen.

Toen hij eenmaal ontdekt had wat de oorzaak was van het ijzingwekkend schrapend geluid, kon hij geen slaap vatten omdat het leek dat iemand aan zijn hoteldeur stond te morrelen. De deur opendoen had hij niet aangedurfd. Uit het raam gluren naar de sneeuwruimers was al erg genoeg geweest.

Pas nu het ‘s-ochtends was, had hij door dat telkens als de hoteldeur openging een brutale windvlaag triomfantelijk en luidruchtig zijn entree maakte in het vijfsterrenhotel, en deze gure wind kwam uitgerekend op de deur van zijn hotelkamer met een rammelend geluid tot stilstand. De ontdekking van het hoe en het waarom van het nachtelijk tumult, de volgende ochtend, kon zijn onbehaaglijk gevoel niet wegnemen.

In het nuchtere ochtendlicht tekende zich een zacht glimlachje van zelfspot af op zijn gelaat toen hij terugdacht aan al zijn waandenkbeelden van de avond terug. Sneeuwruimers en de brutale wind had hij gezien voor doodgravers en louche personen die aan zijn hoteldeur stonden te morrelen.

Zijn glimlach verdween en zijn gezicht verstrakte toen zij, voor hij iets kon zeggen, pontificaal tegenover hem zat in haar kobaltblauw tenue. Hij herkende haar in één oogopslag. Er was geen twijfel mogelijk. Het was de blauwe engel. Zij was niet weggelopen uit het levensgrote tv-scherm in zijn hotelkamer. Nee. Het was zijn plaaggeest. Haar een beschermengel noemen zou teveel eer zijn voor het koele wezen dat uit was op haar geheime en onmogelijke missie. 

Van tijd tot tijd dook zij op. Alleen hij kon haar zien of horen. Na zijn laatste treurige liefde dook zij regelmatig op en geselde hem dan met prangende vragen. Hij begon er nu genoeg van te krijgen. Een psychiater had hem verteld dat het zijn geweten of een waanbeeld was.

Een ding wist hij zeker. Dit keer moest hij haar dusdanig afpoeieren, desnoods met verzonnen en onzinnige antwoorden, dat zij hem voorgoed met rust zou laten.

“Hoe is het? “, vroeg zij bij wijze van introductie.

 “Je ziet dat het heel goed met me gaat. Ik ben nu inmiddels minister geworden en ik maak verre reizen naar aangename oorden, waarbij ik helaas gestoord wordt door onaangekondigd bezoek. Op audiëntie komen heet dat trouwens als je wordt toegelaten tot een minister. Je moet overigens toestemming vragen voor een audiëntie”, sneerde hij.

“Dat vroeg ik niet”, zei ze berispend.

Hij zag dat de wolken begonnen te knabbelen aan de prille ochtendzon.

Met priemende ogen vuurde ze haar volgende vraag af:

“Ik vroeg of je gelukkig bent”.

De zon was nu achter de wolken verdwenen. Hij voelde zich krimpen in deze reusachtige kamer waar geen zicht op redding viel te verwachten. Genadeloos was ze en dit keer voelde hij dat ontsnappen uit haar onverbiddelijke klauwen niet zo eenvoudig zou zijn.

“Wel”, zei hij aarzelend, terwijl hij snel zijn weerstand hervond tegen de starende, ijskoude ogen en de vragen die dwars door zijn ziel sneden. Hij moest nu onverbiddelijk toeslaan om zich voorgoed te bevrijden van deze hinderlijk indringende praatjes op de vroege ochtend.

Gedecideerd ging hij verder: “Ik heb het vinden van een vrouw maar opgegeven. Ik ben volmaakt gelukkig met een lieve vriendin en een goed getrokken pot thee”.

Van zoveel oprechtheid had zij niet terug. Geen vraag stelde ze meer. Haar ijle vorm kromp ineen en verdichtte zich tot een onschuldige sneeuwvlok die door de warmte van zijn antwoord smolt tot een traan. Hij kon zijn ogen niet geloven toen hij zag dat de machtige Blauwe Engel met haar prangende vragen en priemende ogen, verschrompeld was.

En toen begreep hij het. Het was verdriet die op deze mooie dag in dit chique hotel op waardige wijze afscheid was komen nemen.




© Copyright Walter Palm

◄begin