home  
 
 

biografie

 
  gedichten
 
  interview
 
  publicaties
 
  essay
 
  toneel
 
  verhalen
 
  contact
 



 

Walter Palm, een schrijver uit Curaçao

nederlands

papiaments engels


INTERVIEW
 
Weekkrant Suriname: 24 oktober 2002

WAT DE HOFVIJVER EN DE VLAKTE VAN HATO GEMEEN HEBBEN:
DE DICHTER WALTER PALM EN ZIJN GEDICHTEN


Een interview met Walter Palm ter gelegenheid van de verschijning van zijn verzamelde Nederlandstalige poëzie.

Op donderdag 24 oktober aanstaande om vijf uur vindt in het Cosmic theater (Nes 75 in Amsterdam) de presentatie plaats van de eerste voor de Nederlandse markt bestemde gedichtenbundel van Walter Palm. De bundel heet “Met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker”. De bundel wordt gepubliceerd door uitgeverij “In de Knipscheer”, prominent uitgever op het terrein van Nederlandstalige Caraïbische, Zuid-Afrikaanse en Indonesische literatuur. Voorzover de bundel niet beschikbaar is in de boekhandel, is de bundel te bestellen onder ISBN-nummer 90 6265 537 8.

Kent het Antilliaanse publiek Walter Palm al ruim twintig jaar als dichter, in Nederland geniet hij bij de “insiders” primair bekendheid om zijn werk op het terrein van het integratiebeleid. In het bijzonder door zijn ambtelijke advisering aan achtereenvolgende ministers op het gecompliceerde gebied van de inspraakorganen van minderheden. Hij is iemand die bezig is op het snijvlak van politiek en ambtenarij. En hoewel hij zelf geen politieke kleur heeft, heeft hij ook geopereerd op het minder voor de hand liggende snijvlak van politiek en poëzie. Vijf jaar geleden organiseerde hij met de directeur van het Cosmic theater John Leerdam en de gezaghebbende literatuurcriticus Michael Zeeman in het Cosmic theater een literaire avond met regerende dichters zoals Aad Nuis ( toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en wetenschappen), Carel de Haseth (toen en nu Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen) en Tico Croes (indertijd de Arubaanse Minister van Economische Zaken). De naam van deze manifestatie “Met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker” was ontleend aan een gedicht van Walter Palm. Nog steeds bereiken het Cosmic theater verzoeken om een herhaling van deze buitengewoon succesvolle en unieke avond.

Palm wordt ook veelvuldig gevraagd om zijn gedichten voor te dragen. Na afloop van een voordracht, vroegen mensen hem vaak waar zij een gedichtenbundel van hem konden kopen. Hij moest hen steeds teleurstellen want ondanks het feit dat hij inmiddels gepubliceerd had in gedistingeerde Nederlandse tijdschriften als “De Gids” (in 1990) en “Optima” (in 1998), waren zijn gedichten nog steeds niet verkrijgbaar in Nederland. Dit terwijl hij toch al zes gedichtenbundels op zijn naam had staan die allen op zijn geboorte-eiland Curaçao waren verschenen. Al vanaf 1978 toen zijn eerste Engelstalige bundel “Winds of Words” binnen twee weken uitverkocht was, genoot hij bekendheid als dichter op Curaçao. Deze bundel werd op Curaçao gevolgd door de inmiddels niet meer verkrijgbare “Genesis en Apocalypse” in 1980, de Papiamentstalige bundel “Un boka di poesia” in 1983, de gelegenheidsuitgave “Palmblad” in 1990, het relatiegeschenk “Avondmuziek” in 1997 en de gelegenheidsuitgave “Poetry, Poesia, Poëzie” in 2000.

Deze bundel “Poetry, Poesia, Poëzie” verscheen ter gelegenheid van de expositie die op Curaçao plaats vond van schilderijen en beeldhouwwerken die geïnspireerd waren op gedichten van Antilliaanse dichters, waaronder Palm. Bij de vernissage van de expositie kregen de bezoekers als “beau geste” een exemplaar van deze bundel cadeau van de dichter. De bekende literatuurcriticus Wim Rutgers schreef een paginagrote, lovende recensie over deze bundel. Was het deze recensie die de doorslag gaf bij uitgeverij “In de Knipscheer” om tot publicatie over te gaan of was het de indrukwekkende oogst van twintig jaar dichten verzameld in deze gelegenheidsbundel ? Feit is wel dat twee jaar na de expositie op Curaçao de complete Nederlandstalige gedichten van Palm in de winkel liggen met een voorwoord van Rutgers. In dit voorwoord wordt Palm “een van de belangrijkste moderne Antilliaanse dichters” genoemd. Zijn sporen heeft hij dus al ruimschoots verdiend.


Walter Palm, op de achterkant van de bundel lees ik dat je opgegroeid bent in een artistiek milieu. Kun je ons daar meer over vertellen? En wat de invloed daarvan is geweest op je poëzie?

Mijn grootvader was de op Curaçao bekende componist Jacobo Palm. Hij componeerde vooral walsen, Antilliaanse walsen wel te verstaan met een Europese melodie, maar in het middendeel een Afrikaans ritme met een sensuele syncope. Jacobo’s Palm grootvader was Jan Gerard Palm, de grondlegger van de Antilliaanse muziek. De naam Palm is op Curaçao synoniem met muziek. Als telg van de familie Palm betreed ik als dichter dus nieuwe paden.
Als kind kwam ik vaak bij mijn grootvader die bij ons in de buurt woonde. Het gedicht “Avondmuziek” is geïnspireerd op deze tijd. Als de nonnen na het Lof om zeven uur ‘s avonds, “gedrapeerd in hun kleden en gebeden, prevelend gingen slapen” dan ging ik vaak bij mijn grootvader langs waarna “de avondmuziek de gedaante aannam van een Antilliaanse wals: het weeë ritme van hemelse gezang vervangen door de sensuele syncope”.
Ook woonde bij ons in de buurt de bekende Antilliaanse schrijver Pierre Lauffer. Als kind was ik bijzonder onder de indruk van de gedichten die hij schreef over de natuur op mijn geboorte-eiland. Zijn gedicht over bijvoorbeeld de woeste zee bij de Noordkant van het eiland maakte diepe indruk op mij: wat een hypnotiserend ritme, wat een fantasierijke metaforen, wat een verbluffende beheersing van het Papiaments! Naast Charles Baudelaire en Federico García Lorca is Pierre Lauffer nog steeds een van mijn favoriete dichters.
Van mijn grootvader heb ik geleerd om buitengewoon kritisch te zijn over het artistiek product. Gedichten laat ik een tijdje in een la liggen. Als ik ze na verloop van tijd herlees, en ik vind ze niet goed, dan gooi ik ze zonder pardon weg. Ik blijf per slot van rekening een Palm, en ik heb een naam te verliezen.


Waar gaan je gedichten over?

De natuur is een belangrijke inspiratiebron voor mijn gedichten. Mijn geboorte-eiland heeft bijvoorbeeld een overweldigende zon. In het gedicht “Stilleven” schrijf ik over een spierwit huis dat als een wak gekerfd is in de strakblauwe lucht. En hagelwit de stranden “wit geblakerd door tropische zon” schrijf ik in het gedicht “Tropisch wit, groen en blauw”.
De natuur is van een bedreigende grootsheid op mijn geboorte-eiland en heeft mij geïnspireerd tot het gedicht “Voor de storm” toen een orkaan het eiland bedreigde. Vlak voor de storm is “als een rattenval kalm de zee”, “als een kaaiman stil de wind”en “als haan en trekker” gespannen de lucht.


En de dood?

Onafscheidelijk van de natuur is de dood. Na de plotselinge dood van mijn vader op een-en-twintig oktober 1990 is het thema dood belangrijker geworden in mijn poëzie. Sommigen zeggen zelfs dat dit mijn gedichten is gaan domineren. Na de dood van mijn vader heb ik de cyclus geschreven dat “Afscheid” heet, en dat ook is opgenomen in dit nu verschenen verzameld werk. In de cyclus “Afscheid” komt afscheid in verschillende gedaanten voor: afscheid van een vriend, van de vijand, van realiteit, van dromen, enz. Ja zelfs, afscheid van afscheid! Over de dood van mijn vader heb ik het gedicht “Een-en-twintig oktober 1990” geschreven. Het gedicht besluit met de huiveringwekkende zin “Van de muren druipt het verdriet, het is de dood die hier rondsluipt”, en zo voelde dat ook aan.


Zijn er andere onderwerpen naast de natuur en de dood die je inspireren?

Naast de natuur en de dood, is de haven een belangrijke inspiratiebron voor mij. Vanuit mijn ouderlijk huis kon ik als kind de oceaanstomers de haven van Curaçao zien binnenvaren. Het was een imposant gezicht om te zien hoe zo’n zeekasteel de haven binnengleed, en de huizen aan de haveningang dwergen werden vergeleken met zo’n gigantisch schip. Het beeld van een haven is stevig verankerd in mijn onderbewustzijn. Ik zal een voorbeeld geven.
Eens was ik in Konya dat zich op de Turkse hoogvlakte bevindt. Het is een godsdienstige stad met imposante moskeeën, met om hun as draaiende derwisjen, en het is een “karavanserai” waar karavanen met hun kamelen de nachten doorbrengen. Kamelen zijn schepen van de woestijn dus ik kreeg meteen associaties met een havenstad al was de zee in geen velden te bespeuren op deze hoogvlakte. “Minaretten steken als puntige/ scheepsmasten af tegen de zeeblauwe lucht. Schuimwitte moskeeën met koepels/algengroen, als omgekeerde waterkolken”, zo beschreef ik “Konya” in het gelijknamige gedicht.
De haven is voor mij ook een tegenpool van de zee die wispelturig en onbetrouwbaar is. Als voormalig eilandbewoner weet ik dat als geen ander. De haven is dan een veilige plek ver weg van de grillen van de zee. In “Afscheid van de onzekere zee” schrijf ik: “Schepen met een versleten/ hart, zij weten/ het wel te vinden/die havens/die niet op kaarten staan/maar wel bestaan”.
In “Afscheid van droefheid” komt de haven in een andere gedaante te voorschijn. De haven als focus van menselijke warmte versus de zee met zijn onmetelijke lege eenzame vlaktes. “Op een koperen schip/groen uitgeslagen van droefheid/vaar ik eindelijk binnen/de haven van je glimlach”, schreef ik in dat gedicht.

Naast de natuur, de dood en de haven kunnen alledaagse voorvallen mij inspireren. Zoals de Antilliaan die in een deftige Haagse bank spontaan begon te dansen tot schrik van de chique clientèle. “Bang was hij niet. Zij waren bang voor hem”. Zo heb ik hem beschreven in het gedicht “De non-conformist”.
Een recent gedicht dat “Een vogel die vrijheid heet” is bij mij opgekomen toen ik op een winterdag in Den Haag de zoutstrooiers bezig zag. De met zout bestrooide stad deed mij denken aan een zoutplantage, dit “monument van zilt slavenzweet onder de sidderende tropische zon” op mijn geboorte-eiland. Maar de analogie tussen Den Haag en de zoutplantage gaat nog verder, want ook de nazaten van slaven lopen hier in Den Haag. Het gedicht eindigt dan ook met “In deze tot zoutplantage omgetoverde stad lopen hun nazaten”.


Je bent nu een bekende voordrachtskunstenaar. Zijn er bepaalde gedichten die je altijd voordraagt en wat kun je ons vertellen over deze gedichten?


Ik zal mij beperken tot vijf favorieten: “Nummer Een”, “Gesprek aan het strand”, “Afscheid van het leven”, “Afscheid van afscheid” en ‘Contemporain Columbus”.

Eén gedicht dat ik altijd moet voordragen is “Nummer Een”. Grappig is dat na een voordracht een man naar me toekwam om mij het volgende te vertellen. Ooit had hij dit gedicht als afscheid aan zijn toenmalige geliefde gegeven omdat hun relatie nagenoeg voorbij was. Het gedicht deed daarentegen de liefde weer opbloeien en zo werd de relatie gered. Hij wist toen niet van wie dit gedicht was, en hij was nu blij de auteur te ontmoeten.

Een ander gedicht dat een publieksfavoriet is, is het gedicht "Gesprek aan het strand” dat opgedragen is aan de bekende Antilliaanse regisseur en goede vriend John Leerdam. Ik schreef dit gedicht gezeten aan het strand van het immer gezellige “Hotel Avila” op Curaçao, op hetzelfde strand waar een ander Antilliaans auteur Boeli van Leeuwen menige novelle heeft geschreven. Ik had een afspraak met John. Aanvankelijk stokte het gesprek, want ik had last van keelpijn, maar “vriendschap gaf toen het gesprek vleugels, en sprankelende gedachten doken als fonkelende dolfijnen op”. We hadden het over al onze reizen, maar de haven, iets westelijker van “Hotel Avila”, weer het thema haven dus, herinnerde ons indringend dat “al onze zwerftochten toch hier zullen eindigen, op de navel van Zuid- en Noord-Amerika, waar onze navelstrengen begraven zijn”.
Ook met dit gedicht is een anekdote verbonden. Ik schreef dit gedicht op 2 januari 1993. Toen ik verleden jaar gedecoreerd werd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, voor onder meer mijn literaire prestaties, droeg John dit gedicht voor, waarmee de cirkel weer gesloten was.

Een andere “classic” is “Afscheid van het leven” waarin de hoofdpersoon zegt niet op een slagveld te willen sterven hoe heroïsch dan ook…Dat is niet zijn stijl. Op een proper bed in een sobere omgeving wil hij sterven, want sober heeft hij geleefd, maar dat wel naast zijn sterfbed, één roos, één bloedrode roos, die zich verleidelijk over hem buigt, en als het stervensmoment is aangebroken “liefdevol voorgoed afscheid neemt met een gloedvolle zwoele kus”. Bij het schrijven van dit gedicht stond mij Filips de Tweede voor ogen. Hij woonde in het El Escorial dat in strenge sobere Castilliaanse stijl was ingericht. Hij is daar ook gestorven, in mijn fantasie, zonder een liefdevolle roos naast hem.

“Afscheid van afscheid” is opgedragen aan de buitengewoon begaafde Antilliaanse schilderes Wine Fransen die de drijvende kracht was achter de expositie op Curaçao in augustus 2000. Het is een gedicht met tropische humor: “Vanaf nu weiger ik afscheid te nemen, weiger ik te kiezen voor hier of daar, weiger ik te kiezen voor heden of verleden, weiger ik te kiezen tussen leven en dood. Alleen van afscheid nemen, neem ik afscheid”. Het is een gedicht om bulderend in lachen uit te breken met onze typische Caraïbische bulderlach waarbij de huizen trillen op hun fundamenten, en zelfs de almachtige zon bang achter een wolk gaat schuilen. Ons leven bestaat vol afscheid nemen, vooral als je op Curaçao woont waar migratie heel gewoon is. Zou het niet mooi zijn om afscheid te kunnen nemen van afscheid?

‘Contemporain Columbus” tenslotte is geschreven in 1992. Het gaat over een man die “na een reis vol ontberingen” ontdekt dat “specerijen bij zijn vrouw ontbreken”. Met andere woorden zijn vrouw blijkt geen India maar Amerika te zijn. De prangende vraag is dan verlaat hij haar of gaat hij de Nieuwe Wereld ontdekken? Het zal niet de eerste keer zijn dat je partner totaal iemand anders blijkt te zijn dan je verwacht had, maar deze combinatie met Columbus is kennelijk steeds verrassend bij het publiek. Overigens vond ik het jammer dat dit gedicht niet een plaats kon krijgen in de Wereld Expositie die in 1992 in Sevilla plaatsvond, waar vandaan vijfhonderd jaar eerder Columbus naar de Nieuwe Wereld was vertrokken.


Op de bundel staat op de voorkant een foto van een tropische vlakte met een lege stoel, en op de achterkant hurk je bij de Hofvijver. Kun je daar iets over vertellen?

De beide foto’s geven weer de beide werelden waarin ik leef, en zijn daarom zeer toepasselijk. De tropische vlakte die op de “cover” van het boek staat is de vlakte van Hato op mijn geboorte-eiland onder uiteraard een felle, verzengende zon. Curaçao heb ik jaren geleden verlaten, vandaar de lege stoel op de “cover”, en sindsdien ben ik in het koude Noorden, gesymboliseerd door de bevroren Hofvijver op de foto op de achterkant van het boek. De Hofvijver staat niet toevallig op de foto. Al twintig jaar hou ik mij als ambtenaar bezig met ambtelijke advisering aan ministers en aan de Hofvijver grenst het ministerie van Algemene Zaken waar de Ministerraad elke vrijdag bijeenkomt. Ik vind de Hofvijver een prachtige, bijna magische plek. Het heeft mij geïnspireerd tot het volgende gedicht: “In inktzwart water/ schrijden majestueus twee zwanen/ schrijven in hagelwitte sierlijke / letters over eeuwige trouw en vurige liefde”.

                                                                                                     



◄begin